Onkruid vergaat niet

Hij is terug. De politie is weken geleden gestopt met zoeken. Niet omdat ze de bizarre reeks moorden hadden opgelost natuurlijk; Ze hadden het gewoon opgegeven. En nu weet ik dat hij er weer is, en misschien wel nooit is weggeweest, want het onkruid verging niet. En ik voel het, terwijl ik door het park loop. Het is niet het typische gevoel van ‘brandende ogen in mijn rug’ of ‘nekhaartjes die overeind gaan staan’. Het is het gevoel dat me ook bekruipt als ik me pas na vijf happen realiseer dat de zalm wat vreemd smaakt. Dat moment dat je beseft dat het te laat is en je dus over tien minuten kotsend boven de plee zult hangen. Maar dan intenser.

Verderop staat een man naast een kruiwagen, in een wijde tuinbroek, met een strohoed op, fanatiek te schoffelen. Ik loop voorbij en zie dat de kruiwagen vol ligt met viooltjes, terwijl alle onkruid er keurig bij staat. Ik loop snel door, voorbij de man. Maar al loop ik nog zo vlotjes, hij staat ineens pal achter me en slist in mijn oor: ‘Wil je een ballon, meisje, heeee mooi meisje, een mooie ballon?’ Een grote blauwe ballon wordt me toegestoken. Ik kijk de tuinman aan, die groetend zijn hoed licht, en schrik me wezenloos van dat gezicht: zijn huid bladdert als witte verf van zijn wangen en barsten lopen in een kunstig craquelé over zijn kale hoofd. Zijn gitzwarte ogen glanzen terwijl hij me grijnzend aanstaart.

Ik zet het op een rennen. Hoe groot kan dit park nou helemaal zijn? Ik ben hier zo weg. Met de duivelse tuinman op de hielen sprint ik langs de bomen, grasvelden en bloembedden vol onkruid tot ik de voetstappen achter mij  niet meer hoor. Ik passeer een verbaasd kijkend jongetje, dat een grote groene ballon in zijn knuistje rond zwaait. Ik stop om rond te kijken. Geen tuinman. Het jongetje is ineens ook weg.

Ik loop snel verder. De bomen staan hier dichter opeen, hellen over en maken het donker en claustrofobisch benauwd. Ik slinger verder, zie een oma met kinderwagen en loop erop af om de weg te vragen. Een grote roze ballon is aan het handvat geknoopt en steekt vrolijk af tegen de schaduwen. Als ik haar vraag hoe ik het snelst het park uit kom, begint ze vriendelijk uit te leggen: ‘Nou, eerst dit pad uitlopen en dan na een halve kilometer, voor het bruggetje naar rechts.’ Ze gebaart er zo fanatiek bij dat een dove het op een kilometer afstand nog kan volgen.

Voor ik me weer uit de voeten kan maken, valt mijn blik in de kinderwagen. Een mini versie van de tuinman grijnst terug en springt vervolgens overeind, uit de wagen, op de grond. Ik deins achteruit en zie hoe hij groeit en groeit, tot hij boven mij en oma uittorent. Oma kijkt met grote ogen op naar het afgrijselijke gezicht met de opengesperde muil. Met een luid knappend geluid ontwricht zijn onderkaak en terwijl zijn mond verder en verder open spert, verdwijnt zijn gezicht in de grove plooien die het tandeloze gat omranden. Dan zuigt het gat zich vast op haar hoofd. Ik hoor de gedempte echo van haar gillen in zijn keel. Dan zinkt haar hoofd krakend in elkaar en laat hij haar los. Ik zie nog hoe ze ineen zakt. Haar hoofd ploft als een lekke voetbal aan zijn voeten.

Met knikkende knieën probeer ik weg te rennen. De wereld lijkt te schommelen. Mijn omgeving verdwijnt in langsrazende vlekken en ik heb geen idee meer waar ik ben of waar ik heen ga. Als het maar weg is. Ik weet niet of het de wind is die langs mijn oren giert of dat ik mijn eigen bloed hoor suizen. De voorbijschietende vlekken vertragen, maar ik blijf rennen. Ze krijgen kleur, vorm, en dan spartel ik in een zee van ballonnen. ‘Ssssjjjj, moppie’, klinkt het dan vertrouwd. Een warme arm trekt me uit de ballonnenzee, weg van de zielenslurpende tuinman, weg van de lekke voetbal, weg van onkruid, terug de veilige haven in.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *