Stap minus dertien

*
Het plan was om lekker op vakantie te gaan naar een backpack-vriendelijk, zonnig oord. Thailand dus. Lekker eten, feesten, cultuur snuiven en van mijn vrijheid genieten. Stap een: met de zeebries in mijn haren kokosnootcocktails slurpen op een mooi tropisch eiland in het Zuiden.

Het liep helemaal anders. Ik kwam niet verder dan stap nul: vliegen naar Krabi. Ik stapte naar buiten en genoot met gesloten ogen van de tropische warmte op mijn gezicht. Toen ik mijn ogen opende stond een van de vele opdringerige taxichauffeurs al voor mijn neus. Hij reed in zo’n klein busje waar comfortabel zes mensen in passen en waar in Thailand altijd minimaal twaalf mensen ingepropt worden. Of ik zin had om op een heerlijk tropisch oord te verblijven? Hij liet foto’s zien van een prachtvilla op een wit zandstrand, omgeven door palmbomen. Er waren al twaalf andere meiden geïnteresseerd. Dus ik perste me verheugd als nummer dertien in de minibus.

En nu zit ik hier. Bij stap minus tien. Er klinkt geen zeebries, maar gehijg, een snik en verstikt gejammer. Ik hoor een deur opengaan en voel frissere lucht de benauwend hete ruimte in stromen. Voetstappen bonken naar binnen. Ik leun met mijn hoofd achterover tegen de ruwe muur, zodat ik net onder de stinkende lap door kan kijken die als blinddoek fungeert. Ik zie stoffige zwarte legerkisten met daarboven een tot op de draad versleten broek, die misschien ooit groen is geweest. Ik zie de legerkisten over de betonnen vloer ijsberen. Ik zie de andere meiden om me heen zitten. Gekneveld, net als ik. Hun haren met angstzweet aan hun naar de grond gerichte gezichten geplakt. Maar ik zie geen uitweg.

Wat ik ook niet zie is hoe meneer legerkist naar mij kijkt. Ik zit als enige met geheven hoofd rond te gluren. Ik zie wel hoe hij mijn kant op slentert en ik houd mijn adem in als hij voor mijn neus blijft staan. Ik zie de kolf van zijn geweer, die met een rotvaart op mijn neus afkomt, niet aankomen. Ik zie alleen een witte flits en ik hoor een scherp gekraak door mijn hoofd galmen. Pas als een warme plakkerigheid uit mijn verbrijzelde neus over mijn shirt begint te stromen, registreer ik de pijn.

Een schreeuw ontsnapt aan mijn keel en ik duik in elkaar. Alles begint te draaien. Bliksemschichten schieten door mijn hoofd. Mijn maag protesteert en de gore vliegtuigsandwich komt op volle snelheid naar buiten zetten, waardoor de pijn in mijn gezicht explodeert in een rode vuurzee die me van binnenuit afbrandt, totdat alles zwart wordt.

*
In het zwakke schijnsel van een peertje sta ik voor de gebarsten spiegel voorzichtig mijn scheve neus te poederen. De ergste blauwe plekken en zwellingen zijn verdwenen, dus met wat make-up valt het voor iemand die het niet wil zien niet eens zo op dat mijn neus bijna twee weken geleden werd gebroken. Zodra ik klaar ben, zak ik naast mijn keldergenootjes ineen op de vuile matras op de grond. Zwijgend staren we voor ons uit. Afgevlakt door de drugs. Wachtend.

Voetstappen naderen de kelderdeur. Dan klinkt het gerammel van een sleutel in een slot en kettingen die worden weggetrokken. Ondanks de warmte krijg ik kippenvel en ik richt mijn blik naar de grond zodra meneer legerkist de deur open zwaait. ‘Thirteen!’ Blaft hij. Het meisje naast mij zucht opgelucht. Het klamme zweet breekt mij uit als ik wankelend overeind kom. Hij trekt me de deur door en duwt me de trappen op, naar een lichte kamer op de tweede verdieping.

Er staat een groot hemelbed, keurig opgemaakt met donkerrode lakens, waar niemand ooit in slaapt. Een dikke, oude, kale klant zit op de rand van het bed verlekkerd naar me te kijken, terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd dept. Mijn vakantieplannen, mijn leven; alles lijkt ineens eindeloos ver weg. Zit ik tot mijn dood vast in deze hel? In stap minus dertien?

Meneer legerkist sluit de deur en ik weet dat die geile rijstaap met zijn wapen in de aanslag achter die deur blijft staan luisteren. Mijn opborrelende woede verbergend dans ik wat door de kamer, richting het open raam. Guttegut dat vindt die ouwe mooi. De zon begint al te dalen. Ver in de verte zie ik mensen op het strand lopen. Met wiegende heupen overweeg ik te roepen. Horen ze dat? Dan bedenk ik me, geef de sneue klant mijn verleidelijkste middelvinger en werp mezelf het raam uit, de vrijheid tegemoet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *