Stil verdriet

Het ziet er een beetje uit als een mol. Zwart, klauwtjes, tandjes en een spitse neus. Je ziet mollen zelden aan het oppervlak, maar daaronder wroeten ze er ijverig op los. Zwarte schrapers in je binnenste. Schrapend, friemelend, gravend en knagend tot je geen hart meer hebt. Alleen een zwart gat. Met een zwart friemelbeest erin.

Hartarm.

Molrijk.

Hij verlamt je lachspieren en schildert een grijze waas over jouw wereld. Hij rolt zich knus op tot een brok in je keel, legt knopen in je maag en gewichten op je schouders. Dronken van jouw tranen feest hij nachtenlang door je hoofd.

Maar aan alle feestjes komt een eind en eindjes kun je aan elkaar knopen tot een mooi begin. En zo begint een sprankje hoop, een geluksmomentje, als een roodborstje aan komt vliegen en naast de mol komt zitten. De mol kijkt dreigend op het kleine roodborstje neer.

Heel langzaam maar zeker zwelt het rode borstje op. Groter en groter en voller en roder en warmer. De mol doet zijn best maar kan er niets tegen beginnen. Dan op een dag begint de rode borst te horten en te stoten en te pulseren. Dan scheurt het. Een stralend hart is geboren.

De lichtschuwe mol verschuilt zich in de schaduwen, die kleiner en kleiner worden in de schitterende stralen, totdat er niets meer van hem rest dan een laffe herinnering in je achterhoofd op een zwaarmoedige dag.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *