Rozengeur en Maneschijn (kinderverhaaltje)

Er was geen betere plek om de put in te kijken dan vanaf haar roze wolk. Zon draaide zich lekker op haar buik en friemelde met haar blote teentjes door de roze fluf. Haar lange blonde haar wapperde in de wind, terwijl ze nieuwsgierig over de rand gluurde. Heel diep onder zich zag ze het Zwarte Land. Hier woonden de raven in de dorre bomen. En tussen die bomen stond een put. Haar wolk dreef hier vaak overheen en als ze recht boven de put bleef zweven, kon ze helemaal naar de donkere bodem kijken. En op die bodem zat haar vriendinnetje Maan.

Nu hing ze weer boven die put naar de bodem te turen. Vanuit de bodem straalde een klein meisje haar tegemoet in een helderwitte jurk. Haar lange haren waren zo zwart dat ze blauw glansden. Grote donkere ogen keken omhoog vanuit een bleek rond gezichtje. Ze zwaaide, dus Zon zwaaide lachend terug. Naast haar op de wolk lagen twee lege blikken die met een hele lange draad aan elkaar vast zaten. Zon gooide een van de blikken naar beneden en wiebelde net zo lang met de draad tot het in de put viel en Maan het kon pakken. Zon duwde het andere blik tegen haar oor en Maan riep door haar blik: ‘Hoi Zon! Ik heb je gemist! Waar heb je allemaal gezeten?’ En Zon begon zoals altijd enthousiast te vertellen over alles wat ze gezien had, door de blikken telefoon.

Zon had dit keer rondgezweefd over de bergen, met bossen en dalen, en rivieren en meren. Ze had schapen zien lopen over grasvelden die omhoog en weer omlaag liepen, hoger en lager dan de hoogste en laagste golven op de grootste oceaan die ze ooit had gezien. Er waren ook bergen met sneeuw op de toppen. Die leken op ijslolly’s met poedersuiker erop. En overal waren mensen in meer kleuren dan er kleuren chocolade zijn. Maan luisterde met blozende wangen van plezier. ‘Zon vertel eens, wie waren de leukste mensen die je gezien hebt?’ Ze krabbelde achter haar oor. ‘Hmmmm, even denken…’ Toen begon ze te trappelen met haar beentjes en met een ondeugende lach van oor tot oor riep ze: ‘Er zaten zoenende mensen onder een boom! Hahaahaaa!’ Maan gierde het uit. ‘Oh ik zou toch zo graag met je meegaan!’ ‘Maar hoe dan?’ vroeg Zon. Maan keek beteuterd naar haar teentjes, die vuil waren van de modderige putbodem. ‘Weet je wat?’ Zei Zon. ‘Ik vraag het aan de Tovenaar. Die kan ons vast wel helpen.’

Dagenlang was Zon op zoek naar de Tovenaar. Ze vroeg aan heel veel mensen om te helpen hem te vinden, maar de meesten lachten alleen maar of knipperden verbaasd met hun ogen. Maar op een dag, heel vroeg in de ochtend, zag ze in de verte een paarse rookwolk uit het bos komen. Daar moest hij zijn! Ze begon heel hard te roepen en te roepen, totdat ze hem tussen de bomen uit zag opstijgen op zijn vliegende koekenpan. Zijn puntmuts stond scheef op zijn hoofd en zijn lange grijze baard wapperde in de wind. ‘Moet dat nou, al die herrie?’ Mopperde hij toen hij bij haar was. ‘Sorry meneer de Tovenaar, maar ik moet iets belangrijks vragen. Mijn vriendinnetje woont in een put, maar ze wil heel graag mee op mijn wolk om de wereld te zien. Kunt u haar uit de put halen met de vliegende koekenpan?’ Hij fronste diep. ‘Met z’n tweeën op een pan zal niet gaan, dan zakken we naar beneden.’ Zon zette grote smekende ogen op. ‘Laat me even rustig nadenken meisje’, zei hij en hij ging naast Zon op de roze wolk zitten met zijn kin op zijn hand geleund en wel drie diepe denkrimpels in zijn voorhoofd. Razendsnel begon de roze wolk naar beneden te zakken.

‘Oh nee, oh nee!’ Gilde Zon. En in paniek sloeg ze haar handen voor haar ogen. De Tovenaar sprong zo snel hij kon van de wolk af, landde op zijn koekenpan en de roze wolk dreef weer rustig terug naar boven. ‘Ik denk niet dat jouw vriendinnetje mee kan op jouw wolk, kleine meid. Dan zinken jullie.’ Zon was diepbedroefd en begon te snikken. Zelfs de Tovenaar kon niet helpen. Nu moest Maan voor altijd in de put blijven wonen en zou ze nooit de wereld zien. Ze huilde zo erg, dat de hele wereld nat werd. De Tovenaar, die intens verdrietig werd van die dikke krokodillentranen, zette nog een keer zijn denkhoofd op. Hij dacht, en hij dacht, en hij dacht…. Toen klaarde zijn gezicht op en verscheen er een lampje boven zijn hoofd. Hij pakte het lampje en gaf het aan Zon. ‘Alsjeblieft’, zei hij. ‘Zo moet het lukken.’

Zon pakte het lampje aan en het veranderde in een lege zandloper. ‘Wat is dit?’ Vroeg ze verbaasd. ‘Nou, een magische zandloper natuurlijk!’ Antwoordde de Tovenaar. ‘Zo kunnen jullie om de beurt op de roze wolk. Telkens als het zand compleet naar beneden is gelopen, wisselen jullie als bij toverslag van plek. Dus dan kan Maan op de roze wolk en wacht jij in de put tot ze weer terug is. Het enige dat je moet doen is hem vullen met magisch zand en een klein beetje roze wolk fluf.’ Zon veegde haar tranen weg en een glimlach verscheen op haar gezicht. ‘En waar kan ik dat magische zand vinden?’ De Tovenaar wees: ‘In de Drakenberg.’

Zon bedankte de Tovenaar en zweefde zo snel als ze kon naar de Drakenberg. Deze zag er niet uit als een ijslolly met poedersuiker maar als een hoge zwarte berg met scherpe rotsen en een groot gat in de bovenkant. Hier kwamen af en toe dikke zwarte rookpluimen uit. Dat kwam doordat de draak die in de berg woonde een verschrikkelijke kriebel in zijn neus had en dan soms zo hard moest niezen dat hij vuur spuugde. Helemaal per ongeluk natuurlijk! Zon bleef aan de rand van het gat zweven en zorgde dat er geen zwarte rook in haar mooie roze wolk kwam. Toen de rook een beetje was opgeklaard kon ze naar beneden kijken en zag ze de draak. Hij was prachtig, met groene en blauwe schubben, gele vleugels en een rode punt aan zijn staart.

‘Meneer Draak!’ Riep Zon. ‘Ik heb magisch zand nodig, kunt u mij daaraan helpen?’ De Draak brulde en riep toen: ‘Ga weg!’ Maar Zon wilde niet weg. ‘Ik heb het echt heel dringend nodig! Anders zal Maan nooit de wereld zien!’ Er klonk een rare zucht, en nog een, en toen: ‘Haaaa, haaa, HAAAAA, HAAAAAAAA TSJOEOEOEOEOEHHHH!!!’ Vuur kwam uit de neus van de Draak, vulde de berg en spoot helemaal naar boven. Snel ging Zon een stukje achteruit. Hete lucht woei langs haar wolk, zodat ze knalrode wangetjes kreeg. Toen het vuur weg was, bleef alleen de rook over en ze hoorde de Draak hoesten. ‘Die verschrikkelijke kriebel ook!’ Zon wachtte weer tot de rook weg was en durfde toen pas over de rand te gluren. ‘Waar komt dat dan door’, vroeg ze, ‘die kriebel?’ De Draak keek op, verbaasd over het feit dat Zon nog niet gillende was weggevlogen. ‘Rozengeur’, zei hij tenslotte. ‘Ik ben allergisch voor rozen en er zitten nu al jarenlang een paar rozenblaadjes vast in mijn neus.’

Zon keek naar de enorme neusgaten van de Draak. ‘Maar dan kan ik best helpen! Ik kruip gewoon in je neus en haal het eruit!’ De Draak schudde zijn hoofd. ‘Dat kan toch niet’, zuchtte hij. ‘Als ik dan moet niezen, verbrand je.’ ‘Hoeveel tijd zit er tussen elke niesbui?’ Vroeg Zon. Daar moest de Draak even over nadenken. ‘Een minuutje of vijf’, zei hij tenslotte. ‘Dan moet ik gewoon zorgen dat ik binnen vijf minuten weer buiten ben.’ Zei Zon dapper. ‘Goed dan’, zei de Draak, ‘en als het je lukt, geef ik je een zakje magisch zand.’

Dus zo gezegd zo gedaan. De Draak klom naar de rand van de opening. Nadat hij geniest had en zijn neus weer een beetje was afgekoeld, kroop Zon zo snel mogelijk van de wolk af, de neus van de Draak in. Ze kroop haastig door de donkere gang die vol zat met oranje drakensnot. Ze kroop en kroop, maar zag geen rozenblaadjes. Toen begon de bodem onder haar handen en knietjes te trillen. Oh oh, de Draak moest weer niezen! Zo snel ze kon kroop ze weer naar de uitgang. Het ging heel moeilijk door die dikke laag snot. Ze ploeterde en ploeterde toen ze de gang weer voelde beven. Als ze het maar haalde! ‘Haaaa, haaa, HAAAAA, HAAAAAAAA TSJOEOEOEOEOEHHHH!!!’ Net toen het vuur weer naar buiten schoot, sprong Zon uit de drakenneus op haar roze wolk en verschool ze zich achter de berg tot het vuur weer weg was.

‘Pffff’, bibberde ze geschrokken, ‘dat was op het nippertje!’ De Draak was erg opgelucht dat er geen brandend meisje vast zat in zijn neus. ‘Dit was echt geen goed idee’, zei hij. ‘Jawel hoor’, zei Zon, ‘ik zat alleen in het verkeerde neusgat!’ Dus, na even op adem te zijn gekomen, probeerden ze het nog eens. Zon kroop naar binnen, door de smurrie, en kroop en kroop en kroop. En ja hoor, daar zag ze drie rozenblaadjes tegen de binnenkant van het neusgat geplakt met snot! Ze plukte ze eraf en kroop snel weer naar buiten, voordat de Draak weer zou niezen. Ze plofte of haar roze wolk, verschool zich voor de vlammenzee die zou komen en toen….. Toen niks. Er gebeurde niks. De Draak hoefde niet te niezen. Voorzichtig keek ze over de rand waar de Draak haar lachend aankeek. ‘Het is gelukt!’ Riep hij vrolijk en samen lachten ze opgelucht.

En zo vloog Zon weer terug naar het Zwarte Land, naar de put met Maan. Daar aangekomen haalde ze de blikken telefoon tevoorschijn en vertelde Maan over al haar avonturen. Hoe ze de Tovenaar had gevonden en dat ze met de zandloper om de beurt op haar roze wolk over de wereld konden vliegen. En hoe ze de Draak van de rozengeur had bevrijd en als dank het magisch zand had gekregen voor in de zandloper. Maan was dolenthousiast! Maar toen betrok haar gezicht. ‘Maar dan kunnen we nooit samen, een van ons moet altijd in deze troosteloze put wachten.’ ‘Maar zolang je iets hebt om weer naar uit te kijken, is het wachten in de put toch niet zo erg’, glimlachte Zon. ‘En we moeten het iets gezelliger inrichten natuurlijk.’ Ze goot het magische zand in de zandloper en voegde er een plukje roze wolk aan toe, precies zoals de Tovenaar had uitgelegd. Toen draaide ze de zandloper om.

Plotseling werd de lucht verlicht door een roze gloed. Heel mooi, maar ook heel kort. Toen het licht weer was verdwenen zat Zon met de zandloper in de put en Maan op de roze wolk. Maan keek verwonderd om zich heen. Wat kon ze ver kijken! Wat mooi! En terwijl Maan de wereld over vloog, wachtte Zon geduldig in de put. Ze kon wel een paar uurtjes slaap gebruiken na al die avonturen.

’s Ochtends vroeg raakte de zandloper weer leeg en spontaan floepte Zon weer uit de put, om op haar wolk over de wereld te vliegen. En Maan floepte terug de put in, waar ze de zandloper weer om kon draaien. En elke avond raakt de zandloper leeg. Dan gaat Zon uitrusten in de put, waardoor de wereld donker wordt. Maan verschijnt dan aan de hemel. En als de zandloper opnieuw aangeeft dat de tijd om is, verschijnt Zon weer aan de hemel en kan Maan in de put een dutje doen. En zo wordt het elke dag licht en ’s avonds weer donker, dankzij de goede vriendschap tussen Zon en Maan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *