Zelfs Jezus…

Daar zat ze dan, in de meest comfortabele stoel ooit. Mocht ze ooit nog de kracht vinden om op te staan uit deze stoel, moest ze er eigenlijk een aanschaffen voor thuis. Thuis, de plek die thuis niet meer was. De plek waar ineens een kamer over was. Een kamer die ze volgens sommigen maar snel opnieuw moest inrichten, er een fijne bibliotheek van maken bijvoorbeeld. Daar zou deze stoel echt perfect in passen. Maar dat huis was haar thuis niet meer. Anders was ze daar nu wel.

Nu zat ze hier, uit te kijken op een wastafel met een strenge rechthoekige spiegel erboven. Ernaast stond een klein tafeltje strak tegen de muur, met een vrolijk gekleurd kleedje erop. En alsof iemand had bedacht dat zoiets vrolijks buitengewoon ontoepasselijk was in haar situatie, stond er ter compensatie een pikzwarte stoel voor. De stoel waarop ze niet wilde zitten. Want vanaf die stoel kon ze nergens anders heen kijken dan dat schilderijtje aan die muur. Een prent van moeder met kind. Woest veegde ze de opwellende tranen uit haar ogen.

Snel focuste ze weer op die comfortabele stoel waar ze in zat. De stoel die er eigenlijk niet uitzag. De ooit zo mooie rode bekleding was verbleekt tot een vaag roze kleurtje, en het opgestikte motief deed haar denken aan schubben. Zoals ze klein en nietig in die grote stoel zat, was het alsof ze zich verstopte tussen de klauwen van een of ander geschubd hellebeest.

De kleur van die stoel, vloekte ook verschrikkelijk bij dat bruine kleed dat ze op haar schoot had getrokken om aan de kilte te ontkomen. Hoe hoog ze de verwarming ook zette, het was hier altijd net te koud. Misschien lag het aan haar. Misschien was ze gewoon in een kil en bitter wezen veranderd, dat tot niets anders meer in staat was dan het interieur van een oud kloosterkamertje af te zeiken. Haar blik dwaalde langs de muren, kozijnen, vloerbedekking en het beddengoed. Die kleuren. Misschien moest ze er een boek over schrijven: 50 tinten zeik.

Zuchtend liet ze haar hoofd achterover vallen, comfortabel tegen die heerlijke hoge rugleuning, en sloot haar ogen. De muffe geur bracht haar in gedachten terug naar oma. Daar rook het ook altijd stoffig. Zoals het ruikt in tweedehands meubelwinkels waar het vol staat met spullen die je alleen wilt hebben als je echt geen geld hebt om naar de Ikea te gaan. Bij die geur moest ze altijd denken aan de spelletjes rummikub die ze met oma speelde als het regende en ze dus geen eendjes konden gaan voeren bij de vijver. Maar dat was voorbij. Oma was al heel lang voorbij. Maar dat was wel eerlijk, want na 93 jaar mag het ook wel een keer voorbij zijn. Waarom is het verdomme niet gewoon altijd eerlijk?! Dan zat ze hier nu niet. Dan was ze nu gewoon thuis.

Bij het geluid van voetstappen op de trap opende ze haar ogen. De voetstappen liepen weg, en alles wat overbleef was het geluid van wind in de boomtoppen, zoals het ruizen van de zee maar zonder dat rustgevend voorspelbare ritme. Het enige ritme dat ze kon horen was het zachte tikken, als van een klok. Maar er hing geen klok, dus god mocht weten waar dat vandaan kwam. Ze kon niet tegen die stilte. Dan klonken haar gedachten zo luid. Misschien nog wel luider dan het volume van haar eigen stem, die vorige week scheurend van verdriet door de badkamer gegalmd had, in het huis dat haar huis niet meer was.

Haar ogen vlogen van de hysterisch rood met groen geblokte prullenbak naar het plafond, waar ze als gehypnotiseerd bleef staren naar het knipperende rode lampje van de rookmelder. Ze keek naar Jezus, die daar stilletjes en terneergeslagen aan zijn kruis boven haar bed hing. Voor hem was het allemaal ook niet eerlijk. En dan te bedenken dat zelfs hij meer tijd had gekregen dan haar dochter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *