De kalvende kalfjes

Het is een prachtige zonnige dag en ik stamp vrolijk in mijn blauwe overal en kaplaarzen door het weiland. De boer heeft me gevraagd te helpen, want er staan meerdere koeien te bevallen. Het gaat druk worden. Ik ben dolgelukkig met mijn kans om de dokter Pol uit te hangen, dus vandaar mijn vrolijkheid in dat zonnige weiland in mijn belachelijk schone overal.

Ik nader de houten schuur, waar zo te horen al druk gekalfd wordt. Stemmen roepen naar elkaar en een koe staat driftig te loeien. Als ik de schuur binnenstap zie ik vier koeien op een rijtje in stalen hokken staan, hun achterste mijn kant op gericht. Er hangt een geur die ik niet goed kan thuisbrengen. De boer is, samen met een collega, druk in de weer met koe nummer twee, waar twee hoefjes en een neusje al naar buiten piepen. Het zonlicht valt in strepen tussen de houten muren door en verlicht het ronddansende hooistof.

Het kalfje glibbert ineens naar buiten en valt met een smak in het hooi. De boer blaft dat ik daarvoor moet zorgen, terwijl hij zijn arm alweer in de volgend koe steekt om te kijken hoever zij is. Ik kijk hoe het kalfje opstaat. Huh, dat is wel heel snel. Voor mijn ogen droogt het kalfje in een paar seconden op en groeit snel, tot hij twee keer zo groot is als een minuut of drie geleden. Ik stond erbij en keek ernaar. ‘Zet hem vast, snel!’ Gromt de boer me toe en met een vluchtig hoofdknikje wijst hij me op de grote stalen gevaartes aan de andere kant van de schuur. Ze lijken op de grijpers van grote machines die je wel eens op een bouwterrein ziet staan. Er staat een grote witte plastic emmer naast. Besmeurd met bloed.

Ineens begint het kalf te krijsen. Zijn buik bolt op en beweegt alsof er een levend beest in zit. Het doet me denken aan die films waarin er ineens een alien uit iemands buik scheurt. De ogen van het kalf puilen uit zijn kop en het gilt onophoudelijk. Paniekerig kijk ik naar de boer, die net een nieuw kalf uit koe nummer vier trekt, terwijl zijn collega tot zijn oksel in koe nummer één staat. De boer slingert het tweede kalf mijn kant op en roept nogmaals dat ik die kalfjes moet helpen. ‘Waarmee dan? Wat gebeurt er?!’ Het antwoord is bizar: ‘Met bevallen natuurlijk! Het is een dubbelbevalling. Dat levert veel meer vlees op.’

Verbouwereerd kijk ik naar de kalfjes. Uit een van de kalfjes steekt een hoefje. Mijn god, deze kalfjes gaan echt bevallen? Ik sta als aan de grond genageld. Hier had dokter Pol mijn niet op voorbereid. Een dubbelbevalling. Zijn ze hier nou helemaal gestoord geworden? De boer is met de laatste koe bezig en zijn collega begint de spartelende kalfjes in de klemmen te zetten. Ik sta erbij en kijk ernaar.

Na meer ongeduldig geblaf in mijn richting pak ik met bevende handen het pootje dat uit een van de kalfjes steekt en trek voorzichtig. Het zit muurvast. ‘Hoe moet hier een nieuw kalf uitkomen? Ze zijn nog veel te klein, dit lukt nooit!’ De boer komt helpen. Hij duwt mij ruw aan de kant en rukt aan het pootje. Met een scheurend geluid komt het los en hij smijt de bloederige homp in de witte emmer. Dan begint hij meer stukken minikalf uit het steeds zwakker krijsende kalf te sjorren. Zijn collega is een ander kalf aan het ‘helpen’. Het gegil van die arme beestjes gaat door merg en been, terwijl de ene na de andere bloederige homp vlees uit de kalfjes wordt gerukt.

Ik sta met mijn rug tegen de muur. Vier kalfjes staan voor mij, onder het bloed, schreeuwend in doodsangst. De metaalachtige geur van bloed vermengd met hooi hangt zo zwaar om me heen dat ik hem op mijn tong kan proeven. Ik word er kotsmisselijk van, daar in die veel te warme schuur. Voor mijn ogen zakt een van de kalfjes door zijn pootjes en blijft bewegingsloos in de klem hangen, terwijl de boer probeert het laatste stukje minikalf eruit te trekken. Het hoofd. Maar het past echt niet. Met zijn vingers stevig om een nekwervel geklemd, trekt hij met een flinke ruk het koeienhoofdje naar buiten. Het kalfje splijt met een ijzige gil, die alle andere geluiden overschreeuwt, in tweeën. Ik stond erbij en keek ernaar.

Eindelijk is het gillen opgehouden. Ik hoor alleen nog het hijgen van de mannen, mijn razende hartslag en het druppelen van bloed. De volwassen koeien lopen weer naar buiten, de zonnige wei in. De boer en zijn collega vegen met de mouwen van hun overals het zweet en bloed van hun gezicht. Ik hang bleek tegen de deurpost en probeer niet naar de volle emmer te kijken. Of naar al dat druipend dode vlees in die ijzeren vuisten. De boer rekt zich uit. ‘Tijd om te lunchen. We hebben kalfskroketjes! Lekker he?’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *