De Clown

Ik wandel langs keurig geparkeerde familieauto’s en kleurloze rijtjeshuizen met perfect symmetrisch gerangschikte grijze bloempotten op de vensterbanken. Nergens zijn mensen te bekennen, nergens slingert een bal of kinderfietsje, op geen enkel keurig grasmatje is een grasmaaier blijven staan. Er ligt niet eens afval. Geen hondenpoep. Alles is grijs, van de lucht tot aan de dorre blaadjes, die keurig op de bijeen geharkte stapel liggen, alsof ze het lef niet hebben om over dat grauwe asfalt te dwarrelen.

Ik loop door, want ik ben op weg naar vrienden. Ik kan me niet voorstellen waarom mijn vrienden ooit vrijwillig in zo’n levenloze wijk zouden gaan wonen. Een warm zuchtje wind blaast langs mijn nek en ik kan een rilling niet onderdrukken. Ik draai me om, maar zie nog steeds niemand. Sneller loop ik verder, langs een speelplaatsje met een glijbaan, wipwap, schommels. Alles is oorverdovend stil: ik hoor geen wind door de bomen, er fluiten geen vogels, ik hoor geen auto’s of overvliegende vliegtuigen. Terwijl ik langsloop, begint een van de schommels te schommelen. Zomaar. Niet met een boel gepiep, zoals in horrorfilms, maar muisstil. Ik hoor alleen het bonzen van mijn eigen hartslag.

Onrustig draai ik me nog eens om en zie een clown op de hoek van de straat staan. Hij valt nogal op met zijn spierwitte gelaat, oranje haar en rode mond en dopneus. Zijn witte pak met grote felgekleurde stippen is vlekkeloos en ik vraag me af hoe hij in godsnaam kan lopen op zulke belachelijk grote schoenen. Dat blijkt prima te gaan, want op dat moment stormt hij mijn kant op.

Overvallen door paniek, begin ik te rennen. De vrienden waarnaar ik op weg was, zijn er ineens ook, en rennen met me mee. We scheuren de hoek om en verstoppen ons achter een paar auto’s. Ik laat me op mijn knikkende knieën zakken, en gluur om de bumper op zoek naar de clown. Hoewel we niet dichtbij genoeg waren om het te zien, weten we dat deze clown vlijmscherpe tanden in zijn grijnzende smoel heeft. Dat hij puur kwaad is. Iedereen heeft de film ‘IT’ gezien. En ‘IT’  zit ons op de hielen.

Naast me zit een meisje met veel te prominente jukbeenderen voor zo’n smal gezicht. Plukkend aan haar rossige vlecht, brabbelt ze iets over vluchtroutes en veilige verstopplekken. Ik voel weer een warme zucht, bij mijn enkel dit keer en een verstikkend gevoel overvalt me. We zijn niet alleen. Het paniekerig gebrabbel naast mij stijgt plotseling een octaaf en gaat dan over in een geknepen gejammer en sterft weg. Met een ruk draai ik me om, zie nog net hoe de clown achter ons het meisje uit de groep trekt. Nouja, een deel ervan. Haar hoofd komt met een knappend geluid los van haar romp, alsof een kleuter het hoofd van een Barbie lostrekt. Met een boel geschreeuw zetten wij het weer op een lopen. De clown slingert het poppenhoofd achter ons aan, dat grijnzend tientallen meters met ons mee stuitert. Dan verandert het hoofd in een ballon en waait weg.

We rennen de straat uit, linksaf een bredere straat in, zo snel mogelijk rechtsaf een andere straat in, door door door en bij de rotonde weer rechtsaf een nieuwe straat in die er weer hetzelfde uitziet als de straat waar we in begonnen waren maar onmogelijk dezelfde straat kan zijn. Het geflap van veel te grote schoenen op grauw asfalt achtervolgt ons. Verder en verder, terwijl mijn spieren verkrampen, mijn keel rauw voelt van het hijgen, mijn longen op knappen staan. We tuimelen de hoek om, naar een steegje dat achter de huizen langs loopt. We glippen door een houten poort in de schutting een achtertuin in. Als we nou maar snel dat huis in kunnen, dan sluiten we alles af en zijn we veilig. Naar adem snakkend strompelen we door de tuin naar de achterdeur. Een schaduw valt over me heen en als ik opkijk, zie ik de clown via het garage dak aan onze linkerkant de tuin in springen. Hij verspert de weg naar de achterdeur. Doodsangst maakt zich van mij meester. Ik draai me om, om terug te rennen waar we vandaan kwamen en kijk recht in de enorme rode grijns vol tanden van ‘IT’ nummer twee. Er is geen uitweg meer. En als de tanden dichterbij komen, zet ik het op een gillen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *