In de ban

Er was eens, heel lang geleden, in een land hier ver vandaan, een knus koffiehuisje. Dit koffiehuis, dat gerund werd door de trotse vader van twee zonen, was beroemder om zijn warme chocolade dan om zijn koffie. De moeder van het gezin was kunstenaar en boetseerde de meest prachtige beelden. De oudste zoon was een havenarbeider aan wie die talenten voor zowel smaak als schoonheid zonder omkijken voorbijgegaan waren. Maar de jongste zoon had de smaakpapillen van zijn vader en de scheppende handen van zijn moeder geërfd.
.        .De jongste zoon leerde al snel dat er geen mooiere smaak was om mee te werken dan de smaak van chocolade. Maar die scheppende handen konden met de vloeibare chocolade niets beginnen. Dus spendeerde hij maanden in de keuken van zijn vader, totdat hij het recept voor de heerlijkste chocolade in vaste vorm ontdekte. Het leek magie! Als hij het verwarmde werd het kneedbaar als klei, maar als het afkoelde werd het zo knapperig als de krakelingen van de bakker. Dus zijn handen boetseerden en kneedden, schaafden en masseerden, verfijnden en schilderden dagenlang, tot ze het prachtigste chocoladebeeld ooit geschapen hadden.

Razend enthousiast holde de jongste zoon naar de haven. ‘Broer! Kom mee, kom kijken, kom proeven wat ik heb gemaakt!’ Dus de oudste zoon kwam mee naar de keuken van het koffiehuis. Sprakeloos keek hij naar het mooiste en heerlijkst geurende kunstwerk dat hij ooit had gezien. Volkomen in de ban liep hij er rondjes omheen. ‘En proef dan toch!’ Riep de jongste zoon. Maar dat wilde zijn broer niet, want dat zou het beeld ruïneren.
.        .Moeder kwam kijken en slaakte een zucht van extase. ‘Voel hoe heerlijk hard het is, maar als boter smelt in je mond!’ Riep haar jongste zoon. Maar, volledig in de ban van deze schoonheid, wilde ze het niet aanraken, want zo een perfectie mocht niet worden aangetast!
.        .Vader kwam kijken en het water liep hem in de mond. Hij kwam zo dichtbij als hij durfde, en rook en snoof en snuffelde. Maar proeven wilde hij niet. Hij was zo in de ban van dit overheerlijk aroma dat hij bang was dat het zijn smaakpapillen zou doen exploderen.

Intens teleurgesteld omdat niemand zijn werk wilde proeven, stelde de jongste zoon het beeld tentoon op het marktplein. Als vliegen op stroop kwamen de mensen erop af. Allen waren in de ban van de grandeur en geur, maar je raadt het al: niemand wilde proeven.
.        .Toen kwam een jong meisje met grote ogen aanlopen, en ook zij was in de ban van het beeld. Maar hoe mooi en prachtig en fantastisch ze het ook vond, de verleiding van chocolade kon ze onmogelijk weerstaan. En na een korte aarzeling zette ze haar tanden in het kunstwerk, en het smaakte zo hemels! Puur geluk explodeerde in haar mond en de vonken zoefden als vlinders door haar lijf. Verrukt nam ze nog een hap en nog één, en meer en meer meer meer…
.        .Met tranen van geluk keek de jongste zoon toe hoe iemand eindelijk écht van zijn harde werk genoot. Met tranen van afschuw zag het pleinpubliek hoe die meid het prachtbeeld hap voor hap degradeerde tot een donkerbruine hoop. En voordat de jongste zoon of het meisje de omgeslagen sfeer beseften, besprong de menigte haar uit woede om het gesloopte hemelswerk.

Besmeurd met chocolade en haar bloed, liep de jongste zoon eenzaam en alleen de stad uit. Hij was verbannen, want hij had de orde verstoord en levens in gevaar gebracht. Zijn chocoladepronkstuk was vergaan samen met de enige ziel die het echt op waarde had weten te schatten. Dus restte hem niets meer dan te zoeken naar een land waar men zijn kunst van chocolade wel begreep.

Wedstrijdverhaal: Lees en stem!

Lees hier mijn inzending voor de Enge Verhalen Schrijfwedstrijd van ‘Heel Nederland Schrijft’  Vergeet niet om mijn verhaal een  te geven, want daar kan ik de lezersprijs mee winnen! Om te voorkomen dat mensen dubbel stemmen moet je even inloggen en dat is echt zo gepiept. Je kan inloggen via Facebook of door even account aan te maken op ‘Heel Nederland Schrijft’.  Het wijst zich vanzelf, en zo niet vraag gerust. Geen zorgen, je wordt niet platgespamd. Veel leesplezier! En delen is lief! 

Het monster onder jouw bed – deel 7

Lees hier deel 6, mocht je die nog niet gelezen hebben 😉

Zo had ik Tik dus leren kennen. Het was de meest chaotische, verwarrende en frustrerende nacht van mijn leven. Naderhand heb ik eerst eens wat bijgeslapen en vervolgens ben ik bij mijn huisarts langs geweest in verband met de hersenschudding en om het eens over mijn slaapproblemen te hebben. Ik kreeg op mijn flikker omdat ik naar de huisarts had moeten komen voordat ik lekker een paar uur in bed ging liggen en vervolgens kreeg ik slaappillen mee om mijn slaapritme weer in het gareel te krijgen. Ik meldde me ziek op mijn werk en begon samen met Tik een speurtocht op het internet naar manieren om hem weer thuis te krijgen.

Tik was ervan overtuigd dat er geen vaste landplaatsen waren op aarde, want hij was wekenlang op de plek gebleven waar hij zijn vlucht gemist had en hij had er geen tweede MWO voorbij zien komen. Maar er moest toch een zeker systeem in zitten en de landplaatsen moesten toch redelijk makkelijk te vinden zijn. ‘Hoe groot is zo’n MWO?’ Vroeg ik. ‘Dan weten we ook hoeveel plek hij ongeveer nodig heeft om te landen.’ Tik schudde zijn hoofd. ‘Ze variëren enorm, met een diameter tussen de 10 en 100 meter. De meeste zijn rond met pijlvormig aanhangsel aan de voorkant.’ En zo begonnen we dus, zonder enig zinnig aanknopingspunt, in het wilde weg te zoeken naar alles wat enigszins met UFOs, aliens en onverklaarbare fenomenen te maken had.

Na iets meer dan een week, kwam ik thuis van het boodschappen doen en vond Tik weer achter de computer met Mona op schoot. ‘Ik heb iets gevonden!’ Riep hij me tegemoet, voor ik goed en wel binnen stond. Ik hing mijn jas aan de kapstok en liep met de boodschappen naar de keuken. ‘Wat dan?’ Tik kwam achter me aan. ‘We moeten naar Stonehenge.’
‘Stonehenge? Wat moeten we daar?’
‘Het is een communicatiestation.’
‘Stonehenge is een berg stenen. Heel interessant neergelegd, maar het zijn stenen.’
‘Ik herinner het me uit de lessen die we gehad hebben ter voorbereiding op onze taak hier. Er zit een compleet communicatiesysteem onder die stenencirkel.’
‘Hebben jullie dat gebouwd?’
‘Ja.’
‘En waar zijn die stenen dan voor?’
‘Oh die lagen er al. Het was ooit een graf, of een offerplek of iets in die richting. Wij gebruiken dat soort plekken, want ze zijn een handig herkenningspunt.’
‘En waarom kom je hier nu pas mee?’
‘Ik was dit helemaal vergeten, totdat ik dat plaatje op internet zag.’
‘En stel dat we nu naar Stonehenge gaan, wat gaan we daar dan doen?’
‘Een bericht sturen natuurlijk.’
‘Herinner je je dan ook ineens hoe dat moet?’
‘Nee.’
‘Dus wat is je plan?’
‘We gaan naar Stonehenge.’
‘Ja en dan?!’
‘Dan sturen we een boodschap.’
‘HOE?!’
‘Doe niet zo opgelaten. Die stations zijn neergezet om contact te houden met pioniers op aarde. Verder nergens voor. Hoe ingewikkeld kan dat nou zijn?’
‘Ik wil een beter plan.’
‘Jij wilt mij naar Stonehenge rijden, want zonder jou crash ik de auto in de eerste bocht.’
‘Jij kunt niet eens bij de pedalen.’
‘Daar heb je een punt. Ga gewoon met me mee. Je hebt ook niet echt iets beters te doen.’
‘Ik heb een baan.’
‘Dolle pret, ziekteverzuimer.’
‘Met jou valt niet te praten.’
‘Praat dan wat minder en breng me naar Stonehenge.’
‘Waarom zou ik?’
‘Waarom niet?’
‘Dit is zo kinderachtig.’
‘Geef dan antwoord. Waarom zou je me niet naar Stonehenge brengen?’
‘Ik wil eerst uitzoeken of je verhaal klopt, hoe we daar in het ondergrondse station moeten komen en hoe we dan die boodschap moeten sturen!’
‘En jij denkt dat dat wel even te vinden is via Google?’
‘Weet ik veel!’
‘Nee. Kom we gaan.’

En dus regelde ik een oppas voor Mona, pakte wat spullen en gingen we.

Plan voor je roman, of niks daarvan?

Hoe schrijf je een roman? Een echt boek? Doe ik het wel goed? Omdat ik zo’n anderhalf jaar geleden ben begonnen aan een thriller en om de haverklap vastloop en mijn tijd ongefocust aan andere dingen besteed, begon ik me zo langzamerhand af te vragen of ik het wel “handig” doe of dat ik het helemaal anders aan moet pakken. Ik ben dus eens op internet gaan zoeken naar methoden om een boek te schrijven en heb de strategieën die ik tegenkwam hieronder op een rijtje gezet. En één ding kan ik wel vast verklappen: er is niet één manier om een boek te schrijven.

1. Plan? Niks daarvan!
Dit spreekt nogal voor zich. Je hebt een al dan niet concreet idee, begint gewoon en dan zie je wel waar het schip strandt. Het voordeel is dat je niet eindeloos blijft plannen en piekeren, maar meteen meters maakt. Het nadeel hiervan is dat je stuurloze meters maakt, wat er in kan resulteren dat je binnen 20.000 woorden compleet vastloopt, je verhaallijn gewoon echt niet blijkt te werken of dat het verhaal maar wat van hot naar her stuitert. Aan de andere kant is de kans op geniale, creatieve, verrassende teksten groter als het plot nog niet helemaal vaststaat en je je fantasie echt helemaal de vrije loop kunt laten.

2. Plot verzinnen, dan beginnen
Dit is een iets beter gestructureerde variant van optie 1. Bedenk een plot van begin tot eind maar zonder al te veel detail en schrijf dit op in een beknopte samenvatting van maximaal 500 woorden. Veel verhalen bevatten een aantal cruciale momenten en plottwisten die bepalend zijn voor de structuur van het verhaal. Zorg dat deze duidelijk zijn in je samenvatting.
Begin dan pas met schrijven. Het handigst is het om bij het begin te beginnen, maar als je ineens inspiratie krijgt voor de slotscene kun je die ook gewoon even tussendoor schrijven. Je weet immers al waar het allemaal naartoe moet. Hieronder volgt een voorbeeld van zo’n plot:

  • Een gitarist wordt vermoord na zijn concert (gebeurtenis 1).
  • Een meisje dat voor het laatst op zijn concert is gezien wordt vermist (gebeurtenis 2).
  • Hieruit volgen twee aparte verhaallijnen, namelijk de zoektocht naar de moordenaar en de zoektocht naar het meisje.
  • Een bebloed sieraad van het meisje wordt teruggevonden en het bloed blijkt van die gitarist te zijn (gebeurtenis 3). Vanaf hier worden de twee verhaallijnen dus één.
  • Beide detective teams moeten gaan samenwerken, wat natuurlijk gepaard gaat met een boel conflict zoals botsende ego’s of juist seksuele aantrekkingskracht (gebeurtenissenreeks 4).
  • Een reeks gebeurtenissen leidt naar het meisje en haar kidnapper (gebeurtenissenreeks 5).
  • Reddingspoging van het meisje resulteert in ontsnapping van de kidnapper (gebeurtenis 6), maar het getraumatiseerde meisje vertelt (na veel moeite natuurlijk) wel hoe de gitarist is omgekomen en onthult een derde betrokken partij (maffia/ geldschieter/ drugsbaas/ platenmaatschappij bijvoorbeeld).
  • Teams splitsen weer op voor de zoektochten naar de kidnapper en deze derde partij (gebeurtenissenreeks 7). Welke informatie hebben de teams hier nodig om verder te komen? Hoe en wanneer krijgen ze die info?
  • Een van de detectives krijgt uiteindelijk een cruciale tip van een getuige (gebeurtenis 8). Nu wordt duidelijk wat de kidnapper en de derde partij met elkaar te maken hebben en waarom de gitarist vermoord is (bijvoorbeeld: de kidnapper heeft in opdracht van de derde partij iets gestolen van de gitarist).
  • De kidnapper en de derde partij komen bij elkaar om het gestolen object over te dragen, tegen betaling of in ruil voor iets/iemand (gebeurtenis 9).
  • De detectives achterhalen net op tijd waar deze ontmoeting plaatsvindt en pakken de misdadiger(s) op na een verpletterend spannende achtervolging op een interessante plek zoals een verlaten industrieterrein, een overvol vliegveld, een slachthuis, moeras, op een boot of in de Grand Canyon (gebeurtenis 10)
  • Cooling down. Zo’n typische ‘de rust is wedergekeerd scene’, of juist een cliffhanger die een deel 2 aankondigt.

Zo heb je grofweg een plot om je richting te geven, maar je kunt er echt nog alle kanten mee op. De personages zijn ook nog helemaal niet ingevuld. En onderweg aanpassen is natuurlijk ook altijd een optie!

3. Structureren als een baas: de sneeuwvlok methode
Deze populaire methode is bedacht door Randy Ingermanson en is al in meerdere vertalingen te vinden is. Deze strategie houdt in dat je met de grote lijnen begint en stap voor stap steeds meer details uitwerkt, zoals je ook een sneeuwvlok zou tekenen. Het uitgebreide stappenplan vind je hier.De eerste stappen hebben iets weg van methode 2, omdat het vooral gericht is op een beknopte samenvatting van je verhaal. Van de samenvatting maak je vervolgens een lange samenvatting. Dan focus je op het uitwerken van de personages en beschrijf je jouw verhaal vanuit hun perspectief. Uiteindelijk maak je een overzicht van de scenes die in jouw boek moeten komen en deze werk je uit tot een roman.
Deze methode pakt dus op een heel gestructureerde manier alle verschillende aspecten van jouw verhaal aan en helpt je om ze goed samen te voegen tot een mooi geheel. Nadeel: het is erg veel werk.
Ik heb dit zelf nog nooit gedaan, maar ik moet toegeven dat ik nu wel overweeg om een kortere variant van dit plan eens uit te werken voor de roman waar ik mee bezig ben. Het verplicht je om goed na te denken over waar je mee bezig bent en dat is denk ik wel even goed na al mijn geflierefluit.

4. Gaan gaan gaan, oftewel NaNoWriMo
NaNoWriMo = National Novel Writing Month. Dat “National” snap ik niet helemaal, want mensen over de hele wereld doen hier elk jaar aan mee. Het doel is om in de maand November 50.000 woorden te schrijven. Dat is een complete roman van gemiddelde lengte. Het is dus een soort schrijfmarathon en onderweg kun je online allerlei hulp en motivatie halen uit peptalks van bekende auteurs en op het forum voor deelnemers. De officiële website vind je hier.
Het belangrijkste principe achter deze strategie is dus snelheid. Binnen een maand heb je de hele plot op papier. Verfijnen komt daarna wel.
Ik ben persoonlijk geen fan van deze aanpak. Ten eerste heb ik hier naast mijn fulltime baan gewoon geen tijd en energie voor. Ten tweede vraag ik me af of je met die focus op het aantal woorden nog werkelijk een goed plot neerzet. Veel tekst is niet per se goede tekst. Misschien duurt het herschrijven en bijschaven van die eerste haastige draft vervolgens wel eindeloos. Niks voor mij dus.

Zo blijkt dus maar. Er zijn meerdere manieren om dat verhaal uit je hoofd in een boek te krijgen. En is de ene aanpak nou beter dan de ander? Waarschijnlijk niet. Ik denk dat elke schrijver voor zichzelf moet uitzoeken welke methode het prettigst werkt. Dus ik ga mijn geluk eens proberen met de verkorte sneeuwvlok methode.
En nu ben ik natuurlijk ook heel benieuwd of iemand anders dat al eens geprobeerd heeft! Of houdt iemand er nog een hele andere aanpak op na? Laat het weten en deel je ervaringen hieronder!

Onkruid vergaat niet

Hij is terug. De politie is weken geleden gestopt met zoeken. Niet omdat ze de bizarre reeks moorden hadden opgelost natuurlijk; Ze hadden het gewoon opgegeven. En nu weet ik dat hij er weer is, en misschien wel nooit is weggeweest, want het onkruid verging niet. En ik voel het, terwijl ik door het park loop. Het is niet het typische gevoel van ‘brandende ogen in mijn rug’ of ‘nekhaartjes die overeind gaan staan’. Het is het gevoel dat me ook bekruipt als ik me pas na vijf happen realiseer dat de zalm wat vreemd smaakt. Dat moment dat je beseft dat het te laat is en je dus over tien minuten kotsend boven de plee zult hangen. Maar dan intenser.

Verderop staat een man naast een kruiwagen, in een wijde tuinbroek, met een strohoed op, fanatiek te schoffelen. Ik loop voorbij en zie dat de kruiwagen vol ligt met viooltjes, terwijl alle onkruid er keurig bij staat. Ik loop snel door, voorbij de man. Maar al loop ik nog zo vlotjes, hij staat ineens pal achter me en slist in mijn oor: ‘Wil je een ballon, meisje, heeee mooi meisje, een mooie ballon?’ Een grote blauwe ballon wordt me toegestoken. Ik kijk de tuinman aan, die groetend zijn hoed licht, en schrik me wezenloos van dat gezicht: zijn huid bladdert als witte verf van zijn wangen en barsten lopen in een kunstig craquelé over zijn kale hoofd. Zijn gitzwarte ogen glanzen terwijl hij me grijnzend aanstaart.

Ik zet het op een rennen. Hoe groot kan dit park nou helemaal zijn? Ik ben hier zo weg. Met de duivelse tuinman op de hielen sprint ik langs de bomen, grasvelden en bloembedden vol onkruid tot ik de voetstappen achter mij  niet meer hoor. Ik passeer een verbaasd kijkend jongetje, dat een grote groene ballon in zijn knuistje rond zwaait. Ik stop om rond te kijken. Geen tuinman. Het jongetje is ineens ook weg.

Ik loop snel verder. De bomen staan hier dichter opeen, hellen over en maken het donker en claustrofobisch benauwd. Ik slinger verder, zie een oma met kinderwagen en loop erop af om de weg te vragen. Een grote roze ballon is aan het handvat geknoopt en steekt vrolijk af tegen de schaduwen. Als ik haar vraag hoe ik het snelst het park uit kom, begint ze vriendelijk uit te leggen: ‘Nou, eerst dit pad uitlopen en dan na een halve kilometer, voor het bruggetje naar rechts.’ Ze gebaart er zo fanatiek bij dat een dove het op een kilometer afstand nog kan volgen.

Voor ik me weer uit de voeten kan maken, valt mijn blik in de kinderwagen. Een mini versie van de tuinman grijnst terug en springt vervolgens overeind, uit de wagen, op de grond. Ik deins achteruit en zie hoe hij groeit en groeit, tot hij boven mij en oma uittorent. Oma kijkt met grote ogen op naar het afgrijselijke gezicht met de opengesperde muil. Met een luid knappend geluid ontwricht zijn onderkaak en terwijl zijn mond verder en verder open spert, verdwijnt zijn gezicht in de grove plooien die het tandeloze gat omranden. Dan zuigt het gat zich vast op haar hoofd. Ik hoor de gedempte echo van haar gillen in zijn keel. Dan zinkt haar hoofd krakend in elkaar en laat hij haar los. Ik zie nog hoe ze ineen zakt. Haar hoofd ploft als een lekke voetbal aan zijn voeten.

Met knikkende knieën probeer ik weg te rennen. De wereld lijkt te schommelen. Mijn omgeving verdwijnt in langsrazende vlekken en ik heb geen idee meer waar ik ben of waar ik heen ga. Als het maar weg is. Ik weet niet of het de wind is die langs mijn oren giert of dat ik mijn eigen bloed hoor suizen. De voorbijschietende vlekken vertragen, maar ik blijf rennen. Ze krijgen kleur, vorm, en dan spartel ik in een zee van ballonnen. ‘Ssssjjjj, moppie’, klinkt het dan vertrouwd. Een warme arm trekt me uit de ballonnenzee, weg van de zielenslurpende tuinman, weg van de lekke voetbal, weg van onkruid, terug de veilige haven in.

Het monster onder jouw bed – deel 6

Dit is het vervolg op deel 5.

Ik werd me eerst bewust van de trein die door mijn hoofd leek te denderen. Vervolgens proefde ik de zure smaak in mijn mond en voelde ik het krampen van mijn maag, alsof een prop slang wanhopig probeerde zichzelf uit de knoop te worstelen. Maar de druppel die mij de ogen deed openen zat in mijn oor. Langzaam verdwenen de zwarte vlekken uit mijn blikveld en toen ik voorzichtig mijn bonzende hoofd optilde, zag ik dat ik in mijn eigen kots lag. Een klonterig mengsel van koffie, ei, vanille-ijs en gal droop van mijn oor, in mijn nek. Met een zucht ging ik rechtop zitten. Het moest echt niet gekker worden. Maar dat werd het natuurlijk wel.

Ik kon me even niet zo goed herinneren wat er gebeurd was. Flarden van een vreemde droom dwarrelden door mijn pijnlijke hoofd. Een oranje knuffelbeest, rare ogen, iets over emoties, energie, roze knuppel. Ik moest teveel gezopen hebben ofzo. Of had ik koorts? Met mijn rug tegen de voordeur geleund bekeek ik de zooi en besloot een sopje te gaan halen om alles schoon te maken en daarna te douchen. Op dat moment gluurden twee groene ogen vanuit de woonkamer de hoek om. Een vaag gevoel van déjà vu overviel me. Miauwend kwam poeslief voorzichtig dichterbij, waarschijnlijk klagend over de stank, maar ik geloofde op dat moment dat ze heel bezorgd om me was. Ik kwam overeind en liep achter haar aan richting de woonkamer.

Terwijl ik naar de keuken liep, wierp ik een blik op de bank. Leeg. Misschien moest ik straks na acht uur maar eens bellen voor een afspraak bij de huisarts. Ik begon me dingen te verbeelden door het gebrek aan slaap. Ik trok het kastje onder de gootsteen open om een emmer en zeep te pakken. Twee oranje armpjes hielden de benodigde spullen behulpzaam voor me omhoog. Dankbaar dat ik niet zo ver hoefde te bukken, pakte ik alles aan en duwde het kastdeurtje weer dicht. Ik liet de emmer vollopen. Een beetje zeep erbij. Soplap erin. Ok, soppen maar. Ik zeulde de emmer naar de voordeur en begon met schoonmaken.

‘Zeg, moet ik even helpen?’ Klonk het ineens gedempt. Ik keek verdwaasd op, maar zag niemand en ging weer verder. ‘De buurvrouw is weg toch?’ De stem klonk niet langer gedempt en kwam dichterbij. ‘Ja, laat mij dit maar even doen, dan kun jij douchen. Je moet sowieso even schoon water pakken hoor. Zo smeer je het alleen maar uit. Daar moet je me even mee helpen trouwens, voor je gaat douchen, want ik kan niet bij de kraan.’ Tik stond achter me toe te kijken hoe ik de gorigheid van de vloer zat te vegen, de kat aan zijn zij. ‘Zo’n aangenaam beestje eigenlijk.’ Ze gaf hem kopjes en hij aaide haar rug. Ik knipperde met mijn ogen, maar mijn droom verdween niet. ‘Ze heet Mona.’ Mompelde ik. Ik stond op en ging nieuw water pakken. En douchen. De klap was hard geweest en ik begreep nog niet helemaal wat er nou gebeurde of wat er gebeurd was. Tik leek behulpzaam dus ik deed maar gewoon wat hij zei. Ik had zelf ook geen beter plan. Het enige dat nadrukkelijk tot me doordrong was de gedachte dat mijn rare droom misschien toch niet gedroomd was.

Lees hier het vervolg!

Het monster onder jouw bed – deel 5

Het voorgaande deel vind je hier!

Even later stond ik vanille-ijs etend in de keuken eitjes te bakken, want ik had honger gekregen van dat verhaal en bovendien protesteerde mijn maag heftig tegen al die koffie. Dus vanille-ijs en eieren, vraag me niet waarom dat werkt tegen maagzuur. Ik was een beetje van slag door Tiks verhaal. Niet dat ik het geloofde natuurlijk! Maar het idee dat wij misschien alleen maar fungeerden als een vorm van bio-energie voor hoger ontwikkelde buitenaardse wezens zat me toch niet helemaal lekker. Tik kwam bij me staan. Zijn antennetjes kwamen net tot aan mijn heup. Als hij pluche was geweest zou hij een bestseller item bij de speelgoedwinkel zijn geweest. Maar hij was niet pluche en ondanks zijn schattige uiterlijk met te lange armen, veel te korte beentjes en rare peervorm, kwam hij belachelijk ernstig over. Misschien sprak hij wel echt de waarheid. Ik was in de war, mijn ijs was op en de eieren gaar.

‘Dus wat deed je onder mijn bed?’ Vroeg ik, toen ook de eieren verorberd waren en we op de bank zaten. Nou, toen ik klein was ben ik naar aarde gestuurd om emoties te planten. Positieve emoties. En op mijn tiende zou ik worden opgepikt, maar ik miste mijn vlucht. En sindsdien zit ik vast op aarde.’
‘Hoe lang al?’
‘Nou, in jullie tijdstermen… Ehm, ruim twintig jaren.’
‘Jeetje, en hoe oud was je toen je hier gedumpt werd?’
‘Ho ho, ik werd niet gedumpt! Ik deed gewoon mijn werk als wees!’
‘Ben je wees?’
‘Ja, kinderen met ouders veroorzaken alleen maar nachtmerries, omdat ze terug naar huis willen. Wezen hebben weinig last van die dingen.’
‘Waarom sturen ze geen volwassenen?’
‘Die vallen nogal op, zoals je ziet. We zijn in jullie ogen doorschijnend als we nog heel klein zijn. Bovendien zijn volwassenen emotiedicht, kinderen niet. Dus kinderen kunnen eenvoudig emoties planten, maar voor volwassenen kost het heel veel moeite.’ Ik zuchtte. Dit was op zoveel vlakken fout. Aliens die weeskindjes de ruimte in schieten om de kutklusjes op te lossen. Wat moest ik hier nou weer mee? ‘Tik, jullie zijn ernstig gestoord.’

‘Ja nou, ok. Maar goed, nu heb je me ontdekt, dus kun je me ook wel helpen om weer thuis te komen.’
‘Ho ho ho, je zou me vertellen wat je onder mijn bed deed!’ Tik keek verbaasd. ‘Dat heb ik toch gezegd, dromen planten.’
‘Ik droom niet, ik slaap niet eens man!’ Mijn vermoeide brein kwam gefrustreerd in protest en ik hoopte dat mijn boze emoties Tik omver zouden blazen. ‘Pffff, doe niet zo moeilijk. Ik ben er gewoon niet zo goed meer in nu ik ouder ben. Bovendien zit ik nog maar kort onder jouw bed. Het vorige gezin had een hond. Niet dat jouw kat zo’n feest is. En je mag ook best wat vaker stofzuigen.’ Mijn frustratie zette door in een cafeïne gedreven tantrum en ik smeet mijn inmiddels lege bord richting het aanrecht. Mis, natuurlijk. ‘Doe niet zo moeilijk, zegt ie dan! Of ik iets vaker wil stofzuigen? Flikker op naar waar je vandaan komt engerd. Ga iemand anders uit zijn slaap houden! Wie denk je wel niet dat je bent?!’

Nijdig was ik opgesprongen en wachtte op de heftige tegenreactie die nu zou komen. De knipperende lichten, ruisende radio, zwevende meubels. Ik verwachtte bliksemschichten die uit Tiks antennes vlogen. Hij zou spontaan 3x zo groot worden om te laten zien wie hier nou het machtigste wezen in de kamer was en tenslotte kon er toch zomaar een bionische gifstaart uit zijn achterste poppen om mij mee aan de muur te spietsen. Maar in plaats daarvan sprong katlief op het door mij voorverwarmde plekje op de bank en ging daar rustig liggen snorren. Tik keek me uitdrukkingsloos aan en begon rustig haar kopje te aaien. Bummer.

Er werd aangebeld. Van mijn stuk gebracht liep ik naar de deur. Voordat ik de woonkamer uitliep, keek ik nog even over mijn schouder, maar het vredige beeld van de alien die mijn kat zat te aaien was niet veranderd. Toen opende ik de voordeur en keek in het vertrokken gezicht van mijn buurvrouw. Ik dacht meteen dat ze wel eens boos zou kunnen zijn, maar het was moeilijk in te schatten doordat haar nog half slapende hangende gezichtspieren niet helemaal meewerkten aan de bijbehorende gezichtsuitdrukking. Ze keek gewoon heel raar. En ze loenste een beetje zonder haar bril. Doordat ik druk bezig was te achterhalen met welk oog ze mij nou aankeek, duurde het even voordat ik doorhad dat ze een knuppel in haar hand had. Een roze knuppel nota bene. Mijn blik schoot van haar ene oog naar het andere, naar de knuppel, terug naar haar ene oog en weer naar de knuppel, die toch geen knuppel bleek te zijn. Als ik nou gewoon een paar nachten fatsoenlijk geslapen had, en niet zoveel koffie had gedronken, en mijn gedachten niet stijf van de cafeïne door mijn hersenpan stuiterden, en mijn geschreeuw en dat bord op de grond, en maagpijn en als dat beeld van mijn kat en die alien en die woede, dan, dan… Dan was ik niet bewusteloos geslagen door mijn nijdige uit haar slaap gewekte buurvrouw met een roze megadildo.

Benieuwd hoe dit verder gaat? Lees het in deel 6!

Het monster onder jouw bed – deel 4

Lees hier het vorige deel…

Tik negeerde mijn ongeduldige gewiebel, gefronste wenkbrauwen en trommelende vingers en ging rustig verder met zijn verhaal: ‘Ooit was het voor reizigersvolken heel simpel om energie uit de ruimte te filteren. Elk volk draaide op net een ander soort energie en gebruikte dus net een ander soort filter en daardoor was er geen competitie. Er zijn volken die het goed doen op jullie liefde of dankbaarheid, wij teren vooral lekker op onbezorgde blijdschap, maar er zijn ook volken die draaien op jaloezie, woede of verdriet. Omdat de meeste volken in een zekere balans zijn, is er van alle emoties altijd voldoende aanwezig en is elk reizigersvolk voorzien.’ Ik gniffelde. ‘En ik maar denken dat wij zo’n ontevreden klaagvolk waren. Maar jullie blijheidsvolkjes komen dus gewoon aan jullie trekken!’ Tiks antennes trilden wat toen hij riep: ‘Ik zei toch ooit! Dat is veranderd!’ Bedeesd nam ik nog een slok koffie. Tik zag er dan uit als een kleuter in een vreemd bontgekleurd carnavalskostuum, ik had geen idee wat hij kon doen als hij kwaad werd. Als hij kwaad kon worden, want was dat niet zonde van de energie? Had ik al genoemd dat ik er eigenlijk niks van snap? Lees verder

Het monster onder jouw bed – deel 3

Klik hier voor het voorgaande deel…

Nadat Tik beleefd de koffie had afgeslagen en tegenover mij op een stoel met extra kussens was gaan zitten, begon hij te vertellen. ‘Ik kom van een reizigersvolk. We hebben geen vaste woonplaats. Ooit zullen we vast ergens begonnen zijn, maar niemand weet waar dus eigenlijk komen we nergens vandaan. Misschien zijn we gewoon uit de lucht komen vallen, net als de Sahieren, maar dat is een ander verhaal. We zijn dus altijd onderweg in onze MWOs.’
‘Wacht even’, onderbrak ik hem, ‘MWOs?’
‘Oh ja, Mobiele Woon Omgeving. Echte reizigers dus. We zijn zelfvoorzienend dus wat dat betreft hebben we ook helemaal geen vaste planeet nodig.’
‘Dus jullie verbouwen eten op je ruimteschip?’ Tik glimlachte. ‘Ruimteschip? Wat een prachtwoord. Maar we verbouwen niks, we oogsten alleen.’ Fronsend nam ik nog een slok koffie. ‘Hoe kun je nou iets oogsten als je het niet verbouwt?’
‘Tja, dat doen jullie voor ons.’ Lees verder

Het monster onder jouw bed – deel 2

Klik hier voor het voorgaande deel…

Nou zijn er allerlei theorieën over graancirkels, maar de meest bekende is toch wel dat ze door buitenaardse wezens worden veroorzaakt. Dan rest alleen nog de vraag waarom een alien cirkels in onze graanvelden zou willen maken. Hebben aliens niks beters te doen? Bestaan ze überhaupt? Ik weet dat ze bestaan, want ik heb ze gezien. En hoe ze graancirkels maken. En waarom. Het monster onder mijn bed heeft het me allemaal laten zien. En waarschijnlijk zal niemand mij geloven, maar dit is een verhaal dat gewoon verteld moet worden. Dus hier komt het.

Lees verder